Quartier Blue

Grote ogen zet je als kind op. Zodra je een werf betreedt. 
Mannen in lijfkes met veiligheidshelmen, ruikend naar gruis en sigaretten. Die stuk voor stuk weten waar ze moeten lopen en waar ze mee bezig zijn. Zelfzeker en kracht uitstralend. Gewassen en gebruind door weersomstandigheden in een spel van beton en staal, steen en machines zonder dat een dirigent zichtbaar aanwezig is. De lijfkes zijn hesjes geworden en de saffen kauwgum. De kinnen wat gladder. Maar de stoere inborst is er nog steeds. Graafmachines en vrachtwagens en overal handen, honderden handen die wat opbouwen.

Ik wandel hier als kind, trek hoge ogen op als ik hoor dat er op dit moment twaalf honderd mensen aan het werk zijn. Een gebouw is een gebouw is een gebouw, maar er is zoveel meer. Mijn ziel heb ik niet verkocht, wel heb ik inzicht gekregen. Geen mastodont die uit een horrorverhaal opduikt, eerder een school waar elk visje informatie is. En hoe meer je wat begrijpt, hoe makkelijker het te lezen is.


We lopen de parking uit. 
“Kijk,” zegt Philippe “de kerktoren. Als je geparkeerd hebt en je komt bovengronds. Het eerste wat je ziet, is het middelpunt van de stad. Je wordt er gewoon naartoe gezogen. Alles wat wij doen, heeft een ondersteunende rol bij de stad.” 
We lopen de trappen op. Er piepen grijpmachines die achteruit rijden, er rijden vrachtwagens aan en af die winkels inladen. We kijken links en rechts. Philippe wijst en orchestreert mijn blik.
Er springt een blok uit. 
“Heel belangrijk.” duidt Philippe. “Stel, je komt vanuit de stad deze straat ingewandeld. Dat uitspringend blok zorgt ervoor dat alles binnen handbereik blijft. Anders kan je eindeloos ver kijken en lijkt heel dit niet op wandelafstand. Nu door die gevel wat uit te laten springen, blijft alles nabij. Snap je?” 
Ik draai 360 graden. Zie de toekomst als een musical. In een perfecte wereld volgt het reilen en zeilen van een groeiende stad naadloos elke stap van een droomscenario. De sobere balkonnetjes en vensters boven de winkels, alles lijkt een functie te hebben. 

“Weet je wat dit is?” Hij houdt me bij de les.
Ik weet het antwoord, denkt het jongetje in mijn hoofd enthousiast. Een boom, wil ik zeggen. Hoewel het ongetwijfeld het verkeerde antwoord is.
“Dit. Dit is het eerste leven in Quartier Blue. Zesendertig jaar oud. Op 6 maart geplant.”
“Er staan honderddrieënvijftig bomen in dit project. Ken je dat boek van het geheime leven der bomen? De straat hier is zo gemaakt dat die bomen met elkaar kunnen communiceren via de wortels.” Hij glundert. 
“Alles hier draait om connectie. Met elkaar, met de stad.” 
Ik wil het opschrijven, maar heb geen papier bij. Er is teveel om bij te houden. Het aanbod van de winkels die de prijs van de winkelpanden in de stad drukken en kleine ondernemers naar daar lokt. Het groen, de terrasjes aan het water, de zes verdiepen hoog, de straat van 18 meter, dat een ruimtelijk mooi stadsgevoel geeft, als het nieuwe centrum in Barcelona. De drie meter trappen naar beneden voor het horeca-deel en de terrasjes aan de kade. Ik ben een jongetje dat naar bouwvakkers kijkt. De bezielde architect De Gregorio dwarrelt, als een trotse kapitein over zijn schip, doorheen zijn creatie. Onze blikken vinden elkaar. We groetten vanop een afstand.

Het is een late, zonnige wintermiddag als we hier staan. Een warme gloed, als bij een Indian Summer, kleurt het gebouw in de verte. Vanop de kade zie je het modemuseum. Een gebouw wat je nooit echt de tijd voor kon nemen om naar te kijken. Nu sta je tussen water en steen en wordt het historische van de stad geaccentueerd en ingelijst. Binnenkort zit je tussen een koffietje en apero in een heel nieuw deel stad van een groeiende woonomgeving. 
“Een stad aan het water heeft meer uitstraling. De belevenis floreert, kabbelt gemoedelijk op zomerdagen en stuwt de mens verder bij regen.” Hij is poëtisch en genuanceerd.

We staan weer in het winkelgedeelte. Er zijn tussensteegjes die je naar de woonwijk leiden. Je voelt hier de lakens aan de balkonnetjes wapperen als een zomerse dag in de wijken aan la Ramblas. De terrasjes en daktuinen die zuidwest georiënteerd zijn. Een dakraam dat open is gekieperd, kopt eveneens binnen dat er een woondeel nabij is. Je ziet het vanop de winkelstraat.
Hoeveel extra winkels er komen, geen idee. Ik zou het kunnen vragen, maar doe het niet. Je kan voor of tegen commercie zijn. Handel zullen we als mensheid misschien altijd drijven.

“Daar. Die knik.” We staan halverwege en Philippe wijst naar de stad. Ik moet even zoeken waar hij naar wijst. In het gebouw waar de H&M komt, vlak aan de kleine ring, zit een stompe hoek. Een opengeklapte waaier die je blik ombuigt naar het Molenplein. Het lijkt je te ontvangen met open armen. Kom, zegt de stad. Overal waar je staat, knikkert dit project je de stad in. 

Het inzicht is niet alleen technisch. Ik heb een raam gezien naar de passie van de projectontwikkelaar. Mooi. Een magnum opus zodra je zicht krijgt op wat er allemaal mee heeft gespeeld. Mijn fluohesje trek ik uit, want de enigen die daar stoer mee kunnen wegwandelen zijn toch nog altijd de bouwvakkers.

Nu is het afwachten. Als de bomen zich vastgetrokken hebben in de aarde hier, de laatste loodjes zijn afgewerkt en de winkeljuffen het overnemen. Dan pas kan de kapitein tegen de romp de champagnefles stuk slaan en gaan we in zee. Vanuit het kanaal, inschepen in dit aanstekelijk verhaal.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *