Persbericht: binnen.

Hasseltse Woordkunstenaar Jee Kast krijgt titel.

De Hasseltse Joost Stockx die in Brussel woonachtig is, is op klokslag twee uur op het Koninklijk Paleis tot Ridder geslagen. Zowel de man als Jee Kast, zijn kunstenaar’s alter ego, is even woordeloos. Wetenschappers, sportvedetten en muzikanten vielen al eerder die eer toe. Nu worden dus ook woordartiesten voor hun verdiensten beloond. 

“Ik kan er nog steeds niet van over. De titel is wat overdonderend. Ik was dat moment ook vooral verbaasd dat het Hof zo op de hoogte was van mijn repertoire. Zowel “Wat als Limburg aan zee lag” en “Zeep 2.0” werden vermeld. Beide maatschappelijk getinte miniperformances over de opwarming van de aarde en ecologie gaan.” 

Of de tekst “Het Vlaanderen dat me lief is”. Deze tekst, die in opdracht was geschreven voor Toerisme Vlaanderen, werd laatste in het Africamuseum gebracht en wordt weldra ook via multimedia aan het grote publiek voorgesteld. Het gedicht toont vooral oprechte trots op wat we als Vlaanderen in aanbod hebben, dat op een opvallende manier zonder een fanatieke inslag. Misschien is het wel interessant om het te verweven met een franse versie, aldus het Paleis. 
“Niet enkel wisten ze dat, ook dat ik me No Hate speech Ambassadeur mag noemen nadat ik een Erasmus+ opleiding volgde. Een erkenning zoals deze is mooi,” vervolgt Jee Kast. “Het is ook vooral een uitdaging. Een nieuw begin om die titel waar te maken. Nee, ik ben nog niet “binnen”, nu begint het echte werk pas. Ik sta buiten en de zon schijnt.” 

Het verhaal, de belevenis:

I.
16u53, 1 april

Vanaf nu moogt ge mij dus “Sir Jee Kast” noemen.

Het moeilijkste was na de uitnodiging in de bus mijn mond te houden. Een beetje vreemd en ongelukkig dat het op één april is natuurlijk. Mijn ouders mochten niets weten, mijn vriendin wist het bijna… Ondanks de frisse lentedag, was het nog nooit zo warm geweest onder mijn muts. Of het uur wel juist stond en hoe ik dat moest controleren? Kom je te vroeg en hoeveel te vroeg en hoe moet dat dan als je om de hoek woont en kunstenaar bent. Of ik wel die muts aan zou houden? Ja, en ik heb nog maar eens een kostuum aangedaan. 
De tred vanmiddag was zeker en twijfelachtig tegelijkertijd. Misschien dat het alsnog een aprilgrap was, zei een stemmetje in mijn hoofd. Misschien is het echt. Geloof in jezelf, zei een ander stemmetje. Met hoeveel zijn jullie, vroeg een stem.

Op audiëntie gaan is vooral wachten, vlekjes ontdekken op je schoenen. Schoenen die op een tapijt staan dat om half zes ‘s ochtends heftig met de stofzuiger was aangevallen. In een Koninklijk Paleis staan, onwennig, het wat stijfjes aan je mouw trekken en proberen stil te staan. Lusters en bladgoud. Poehaa en tijd die tergend traag gaat. Naar de andere mensen kijken die je vaag ergens van kent, want je leest te weinig de krant en je niet durven voorstellen. Kikkers in je keel wegslikken die prinsessen hadden kunnen zijn. En richtlijnen krijgen door de Koninklijke woordvoerder. Zoals wachten tot de koning u aanspreekt en aanspreektitels die niet echt druk verlagend werken. Ik heb alles al gezegd, denk ik. En zo voelt koninklijke stilte. Ik kijk naar Jan Fabre’s plafond, er is te weinig tijd om naar een duivelshoef te zoeken. Ik word steeds afgeleid door mensen die ook heel hard niet proberen te bewegen. Want zoals Toon Hermans zei, in de high society, bewegen ze anders.

Vervolgens is het wachten op de Koning. Hij verschijnt, punctueel. Het wachten is vooral een uurschema dat opgedrongen is door protocol, veiligheid en briefing. Hij is er, met een entourage, een andere woordvoerder, veiligheidsagenten en mensen die professioneel niet kunnen bewegen en toch vooruitkomen.
Mijn eerste gedachte was, waar is Mathilde? Zonde. Ik had nog wel een ad random een liefdevol gedicht willen brengen. Ik durf niets vragen. Koninklijk terugknikken als hij in samengeknepen wat vaaglijk fransklinkend Nederlands het woord voert. Eerst in het algemeen, dan bij elke persoon afzonderlijk, erg genoeg onthou ik geen naam. Er zit geen andere schrijver of woordkunstenaar tussen. Elk in een andere discipline. Ik gloei als na jenever op een oktoberdag. “Het Vlaanderen dat me lief is” wordt vermeld. Een tekst die ik enkele weken geleden voorstelde in het Africamuseum op een netwerkmoment van Toerisme Vlaanderen.
Ik schud mensen de hand, Sven Gatz herken ik. Hij geeft me een bemoedigde knipoog. Of hij wil achteraf wat in de garderobe foemelen, dat kan ook. Dat weet je nooit bij politici. Ik sta wat te trillen op mijn benen en neem een glaasje bubbels. Een glas valt. Ik ben het niet geweest, vraag me af wat de prijs van kristal is tegenwoordig, ik heb zin in bier. Nog even wachten.

Nablikkend zit ik aan de koffie, Inger komt zo aan, het wordt een feestje bij Rufus Wainright. Ik ben opgetogen, tijd om wat mensen te bellen. Ik kijk kritisch naar mezelf en naar dit event, zonder dat het er echt één was, naar mijn naam, zonder dat die echt veranderd is. 
Niet dat ik een gegeven paard in de mond wil kijken, maar er zijn zoveel andere schrijvers of woordkunstenaars die die eer toe mogen vallen. Ik kan alleen danken voor de eer en het geloof in mij als persoon, als artiest.

Even in de kantlijn. Bij prijzen en titels, zijn er alleen maar teleurstellingen. Voor degenen die net niet zo snel zijn, hoog genoeg kunnen springen, vlot ter tale zijn … als de spreekwoordelijke winnaar. Ook voor de winnaars of titelverdedigers valt het niet altijd mee. Ik had gehoopt dat ik door een zwaard op de schouder getikt zou worden. Zoals in het sprookje, of de film. Niettemin, nu begint het. Nu moet het worden waargemaakt. Maar eerst tijd voor een feestje.

Het vervolg? Lees je hier.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *