op -tussen- reis

by Jee Kast

Wil je de realistische of de verhalende versie, vroeg ik.
De realistische, zei ze en ze keek me nieuwsgierig aan terwijl ze op haar lip beet.
Je krijgt de verhalende versie. Zei ik. Daar moet je het maar mee doen.

In een stad liep ik op een trottoir, met een bos bloemen op de arm. Vlak voor me liep een jonge vrouw met lange donkerbruine krullende haren. Het waren bloemen met een bepaald reden, een bepaalde stad voor een reden en
die reden krijg je vast nog wel te horen.

De vrouw die een eind voor me liep, was tenger, had een lange zwarte gebreide vest aan en een jeansbroek. Ze liep soepel en bekeek alleen de wereld voor haar. Dit was een woonbuurt. Zoveel was er ook niet te zien, behalve als je er een tijd niet meer was geweest. Dan leek alles anders en trokken zelfs nieuwe riooldeksels je aandacht. Mijn tred was wat steviger dan die van haar. Aan haar hoogte gekomen, keek ik naar haar zoals ik naar haar rug had gekeken. Ik wou haar gezicht zien. Ze draaide langzaam haar hoofd en keek me aan.

In een fractie van een seconde zag ik al die vertwijfeling, die ik voelde, in haar ogen. Zodra ik haar in de verte in de gaten kreeg en nog achter haar liep, ontplooide in mijn hoofd een bouwterrein vol vragen;
Is ze dat? Zou haar haar zo lang zijn? Hoe hard groeit vrouwenhaar op twee jaar tijd? Ze had vroeger toch zwart haar? Misschien leek het gewoon donkerder toen het kort was,… Wat moet ik tegen haar vertellen? Zal ik haar roepen? En als ze het dan niet is? Hoe hard kan iemand veranderen op twee jaar? Was ze echt zo klein? Nee, dat is ze toch niet, of?
Kijk, ze legt haar vestje recht op haar schouders zoals ik maar één vrouw dat ooit op die manier heb weten doen, zou ze? Hm, … er leggen vast meer vrouwen die hun vestje recht op die manier. Wat als ik naast haar loop en ze is het?

Ze was het.
Heey.
Het was een hey van oude vrienden, van hoe-lang-is-het-geleden-dat-… en wat-doe-jij-hier? Kim heeft lang haar, dacht ik. Ze keek me perplex aan.

Hey, zei ik, ook wat ontdaan. De achtergrond gleed voorbij, dus we moesten wel bewegen en aangezien we bewogen, stond de tijd ook niet stil.
Ik heb bloemen voor je meegebracht.
Oh.
Zei ze.

Ik was in de buurt, zei ik, en ik dacht ik spring eventjes binnen.
Ik heb net wat wiet gerookt, dit is wel heel vreemd. Zei ze.
Ik ben er ook niet echt, zei ik.
Je bent er weldegelijk.

Dit was Kim.
Wat verwacht je op zo een moment?
Daar stap ik uit, dacht je toen je op de trein zat. Brussel-Groningen is een heel eind. Wist je veel dat die trein in Amersfoort stopte. Wist je veel dat je het idee zou krijgen en je zo iets zou hebben van ja, dat doen we.
Hoe zou het met haar zijn? Denk je, dus je wil wel eens langsgaan. Het is zaterdag en marktdag en je koopt wat, om niet met lege handen voor haar deur te staan. Je denkt; ze is misschien al honderd keer verhuisd, ze heeft vast een nieuwe vriend die de deur open komt maken. Je hebt totaal geen idee wat ze zal zeggen, hoe ze zal reageren, of ze thuis is en of haar thuis überhaupt nog daar is. Wat ga je zeggen? Het is opgeven en doorzetten, Goed idee? Ja. Slecht plan? Ja. Goed plan? Ja en een slecht idee ook. Misschien had je niet moeten afstappen?

Ik ben onderweg naar Groningen. Zei ik na over wat koetjes en kalfjes te hebben gepraat.
Moet je er optreden?
Nee, morgen in Leeuwarden.

We slenterden naar haar huis. Er was nog zoveel wat ik wou vertellen of vragen en dan sta je daar en is er zonder dat je het weet een sluis gebouwd. Werken? Hier? Moet ik een wegomleiding volgen, staat die aangegeven? Oh, zij staat voor de wegwijzers.

Ik heb haar overvallen. Plots duik ik op. Niet meteen een gatling van woorden. Onverhoeds liep ik naast haar met een ruiker in mijn armen. Een ex die na twee jaar opduikt met wat bloemen op zijn arm.

Als ze er niet is, neem ik de bloemen maar mee naar Groningen of laat ik ze aan de deur achter. Dacht ik.
Neeje, het is vandaag mijn verjaardag niet, zei de wat oudere Hollandse mevrouw die ik kruiste. Opgeven en doorzetten.

Ik ben vorige week geslaagd voor mijn autorijexamen, zei ze.
Vandaar dus de bloemen, zei ik.

Kim was nog steeds hetzelfde.
Met zelfs haar mooie stiltepauzes en ze maakte minuscule kleine beweginkjes in haar gelaat als ze praatte, die zo mooi en zo eigen zijn. De plotse verschijning had wat losgemaakt of was het de wiet?

Stoor ik? Vroeg ik.
Als het ongepast is, kan ik net zo goed vertrekken, zei ik.
Eigenlijk wel, mompelde ze de eerste keer.
Misschien is het beter … , zei ze de tweede keer.

Dus ik besloot om te vertrekken.
De volgende keer bel ik en doen we het anders…
Verweesd bleef ze staan met de deur als houvast.

Ik draaide me om en nam de weg waar haar huisje niet op uitkeek. Misschien wordt ze straks wakker, met het gevoel dat het allemaal een droom was.
Nooit gedacht dat de stoep ook een reden had.


En de realistische versie? Vroeg ze.
Die wil je niet weten.

Jee Kast 2011