#nualzerevingers #jeneverfeesten

by Jee Kast

De pareltjes.

Al twee keer had ik die man zien passeren. Hij is in zijn element en draalt. Alsof hij een inside joke heeft waar hij mee rondloopt en iedereen mag het zien. Ik zit gedichten te typen in mijn autootje aan de bieb. Iedereen die instapt, krijgt een gedicht op maat. Het zijn jeneverfeesten, maar niks dan plezier. Het is nog vroeg en zaterdag.
De pareltjes zijn de leuke momenten die je hebt, de onverwachte ontmoetingen. Zoals Hans het zei, nieuwe bekenden.
— 
Op het einde van de dag zal een een vrouw de auto instappen op aan raden van vrienden. Een spaansogende dame die al zeker drie keer 19 jaar was geworden. Met een zucht zal ze komen zitten. 
“Voorspel mij de toekomst maar… ,” zal zeggen ze. “Ik wil gelukkig worden.”
De vergissing zal mooi zijn, het verzoek haast tragisch. 
“Ik kan geen toekomst voorspellen,” zal ik antwoorden. Stilte.
“Ik schrijf alleen neer wat gebeurd is.”  
“Geef mij een onderwerp en ik maak wat.” Ze is oma en weduwe en de woorden en haar geschiedenis dansen op de achterbank. Het leven dat geen dansje was. Als ik een recept zou hebben voor geluk zou ik het haar verklapt hebben ook al zou het grootmoeders geheime familierecept zijn. Helaas is veertig jaar uitwissen en hertekenen onmogelijk. Ze stemt in bij elke zin die ik aan haar voorlees, alsof ze het probeert in te prenten wat haar verder kan helpen. 
Probeer te leven in het nu, de kleine dingen, kleinkinderen fluister ik tussen de regels van het gedicht. Of ze ooit die bodem ziet…
— — 
Vijf olijke dames voor de deur, ze hebben wat te vieren. Eentje was jarig en of ik niet wat over vriend(innen)schap kon schrijven. Uitbundig en open. Na hun gedicht gelezen te hebben vragen ze of ik ook boekjes heb. Zoet & D’rop, stemmen in de … of het openingszinnenboekje. Ze gieren als ze het openslaan. 
“Geef zo maar eentje, zij twee, zij zijn nog single.”
“Ja maar…” pareer ik “als ge ne vent zoekt, in plaats van een boekje te kopen, om vijf uur ben ik vrij.”
Ze giechelen en bluffen als jonge knapen bij een visvangst. “Schrijf uw nummer er maar in. In hare bundel.” Ik slaag er niet in de glimlach te onderdrukken, laat me niet overbluffen. 
(“hij doet da ofwa…”)
Zonde, denk ik. De juiste dames bellen haast nooit. Ook zij zal niets laten horen. Ze duiken het feestgedruis in. Een volgende stapt in.
— — —
Er zijn mensen waar ik niks uit krijg. Alsof een leven de juiste verpakking nog niet heeft gevonden. Of als het geen cadeautje kan zijn. Ik schrijf, schraap en schrijf. Ze was mijn eerste.
Mijn eerste nieuwe samengestelde-gezinsoma. En of ik wat kon maken over de nieuwe situatie. Het spannende en de liefde en alle kinderen en reacties en oma die er was.
— — —
“Tante Tinne heeft gehuild.” roept het meisje via de koffer naar binnen. Hoe complexer soms de situaties, hoe dichter de mensen, stieftantes die beste vriendinnen zijn en eigenlijk geen familie. Het meisje en haar moeder kwamen een tekstje halen. Om net die vriendschap zwart op wit te hebben, te vergulden. Ik lach verlegen, weet niet of ik het prettig vind.
— — — —
Ik tip stuntelig, met zes vingers en twee overwerkte wijsvingers afgewisseld met een middenvinger en een half ingeslikte vloek als ik mistyp. Hij staat er weer. De man in al zijn contentement en het zitje naast me in de auto is leeg. 
“Koffietje?” 
“Waarom niet.”
Ik haal een thermos boven.
“Waarover mag ik voor jou wat schrijven?”
“Verboden liefde,” zegt hij als een goudeerlijk kind dat Willie Wonka’s fabriek mag gaan bezoeken. Hij heeft een integere uitstraling, een jongetje dat vrienden is geworden met een egeltje, dat komt logeren op zijn kamer onder bed. 
“Ze is op vakantie,” zegt hij, “maar dinsdag komt ze terug. Zeg maar dat er haar iets te wachten staat.”
Ik knik. 
Als de tekst af is en ik hem voorlees, zegt hij niets. Heel zijn lichaam vertelt me dat hij het prachtig vindt. Hij knikt, straalt.
Dat dus en kippenvel. 
— — — — — —
Of ik geen tekst wou schrijven over existentiële vragen, zegt ze. Ik knik. Begin te tikken als een gek, met een grijns op m’n gezicht. Zet mijn naam onder het gedicht. Trek het papier uit de schrijfmachine. Ze leest en lacht. 
Het enigste op het blad te vinden is doodgewoon
“Waarom?”
— — — — — — —
Dat ik mooie mensen ontmoet en hou van wat ik doe
en er altijd speculaas zal over zijn voor de oude mannetjes in het donker die als vrijwilligers de artiestenparking bewaken.

Jee Kast