Schaduwboxer

Wanneer mensen me vragen wie een voorbeeld was, twijfel ik altijd. Moet ik met een naam van een dure dichter afkomen, wereldwijd vermaard, of iemand nabij. Iemand die omd e hoek woont en kleine dingen zag.
Delphine Lecompte keek op toen ik als voorbeeld Toon Hermans noemde. Erger nog, ze haalde haar neus op. Wat zou het zijn als ik Louis Verbeeck vermeld, of Martin Bril. Schrijvers die in cursiefjes de kleine kantjes van de mensheid, voor mij zowel negatief als positief, belichtten in vaak markant observaties.
Dit schreef ik nadat ik een man, ik noemde hem Johnny, ontmoette op een begrafenis.

“Zodra ge thuis zijt en de deur achter u sluit,
kunt ge niks anders doen als tegen uwe eigen schaduw vechten.”

De oude man voor de kerk van Alken was al jaren alleen. Ik was slechts een licht gewicht. Hij was een man die John zou kunnen heten en door iedereen Johnny genoemd zou kunnen worden. Twee glimmende oorbellen, een proper gestreken hemdje, vlekkeloos. Onhandig was in de loop van tijd zorgzaam en correct geworden. Mooie verzorgde handen, die ooit van een arbeider waren geweest, en een vouw in de pantalon -dat had hij zelf gedaan, zei hij trots-. De kleine man leek wel een goedlachse, oude medewerker van een aftands sportzaaltje zoals je die in de betere bokfilms zit met ene bezem in de hand. Sigarettepeukje in de mondhoek. Kleine gestalte, grote glimlach. Iemand die, als je hem in de apotheose van de film aan het woord liet, het hart van elke kijker zou breken, door te vertellen hoe hij tijd kneedde en tijd hem kneedde tot de mens die hij geworden was.
Hij had geknokt om alles te bereiken. Om liefde te vinden, liefde te veroveren – zo ging dat in die tijd-, te trouwen, een alles te vinden …. en terug af te geven. Hij vertelde dat alleen zijn ook een kunst was en waarom hij in schaduwboxers geloofde.
Het gaat niet om de uppercut van de tegenstander. Het gaat om training in het eenzaam zijn, oog- en benenwerk, ritme en schwung. Alleen zijn kan een dansje zijn.

Dit was zijn vierde begrafenis op één week tijd. Morgen had hij er nog eentje. Op deze momenten leek het dagelijkse thuiskomen en het schaduwboksen een wereldtoernooi. Een titel lag binnen handbereik, maar het was knokken. Elke keer weer, wanneer hij de deur achter zich na het thuiskomen sloot.

Ik wou hem zeggen; ik kom wel een biertje meedrinken.
Ik deed het niet. Ik doe veel dingen niet. De mensheid doet zoveel dingen niet. Een excuus is even snel bedacht als een bloedneus krijgen in de boksring.
John zou na het biertje toch weer alleen thuiszitten en waarover zouden we moeten praten?

Ik win altijd, voegde hij er schor aantoe. Het glimlachje verborg veel.
dat begreep ik, zo een lichtgewicht ben ik ook weer niet.


JK 2018

wie is er ooit uitgesprongen? – Tweede versie

Er springen kinderkreetjes,
op luchtkastelen, kinderlijk geweld,
terwijl vliegtuigen overvliegen.

Pingbongballen worden uit
mouwloze handen tevoorschijn getoverd,
lichaamloze vestjes door de hitte 
uitgezwierd en de ouders gemoedelijk
met een drankje hebben ook wat
… beleefd burenplezier.

De kinderen joelen
in alle talen, of staan achter enthousiast 
pratende ouders nieuwsgierig te dralen, 
het is geen FOMO, maar ‘t normale,
de laatste we-willen-niets-missen-zomerdagen.

Dus weer ‘t springkasteel
en uitpuffen met limonade,
en de ouders moeten al weer “iets”, thuis ofzo
en
staan te kijken en slaan hun springerig kroost,
van op een afstandje na een berisping
ongeduldig gade.

Jee Kast
— — —
Voor de Vlaamse GemeenschapsCommissie gaf ik deze week een reeks workshops met krantenknipselpoëzie. Vandaag stond er wat anders op het programma, vanmiddag zat ik in GC de Linde waar ik met mijn typemachine* een gedicht schreef. Dit is een sfeergedicht voor GC de Linde zelf.

Dit gedicht is een #nualzerevingers-gedicht met kleine aanpassingen.

*#nualzerevingers is een literaire act. Ter plekke schrijf ik a la minute persoonlijke gedichten op een typemachine.