bloosvoets

by Jee Kast

Nadat ik haar had rondgezwierd, vielen we lachend op de grond. Ze krabbelde, nawankelend, overeind. Ze zette haar voeten op mijn borst. Die herkenbare blos op haar wangen. Trots dat ze me gevangen had. Als vaderleeuw keek ik toe hoe mijn sierlijke manen tot dreds verklungeld werden. Gemoedelijk.

De muis van haar voeten op het middenrif. Ik keek op. Naar haar verzorgde voeten. De jurk met verse grasvegen, haar armen uitgestrekt alsof ze op de titanic stond. De lentebries door haar haren, de frisse zon gecounterd door haar onbezonnen glimlach.

Alsof ze op een boomstam stond en na lang water eindelijk land zag. Ze had maandenlang op een onbewoond eiland gezeten, tot er warrelhout aanspoelde. Ze had een stam uitgezocht. Ze bekeek het zand tussen haar tenen, voor het laatst, en vertrok. Het water over. Ik hapte naar adem. Ze wankelde.

Het gras de zee. De hemel open. Het geweten soms een lelijk krassende meeuw en land in de verte. Ik ging kopje onder. Wreef over haar voeten, haar enkels, haar kuiten.
Ze bloosvoetste. Zo had ik haar nog nooit aangeraakt.
Een stap verder dan vriendschap.
Ik zonk weg. Ze spartelde.

Jee Kast