Vrouw

Ze is het omhulsel van de vrouw waar ik mee getrouwd ben.
Niet dat we niet meer van elkaar houden. Ze houdt van mij, en ik? Ik doe mijn plicht als haar man.
Vandaag brengt zij de kinderen naar school, Jonas en Elise. Vlak voor ze in de auto stapt, kijkt ze hun boekentasjes na, trekt ze hun jasjes recht. Ze kan in één gebaar liefkozend over hun hoofd strelen. Ik ruim de tafel op of scheer me voor de keukenspiegel. Kinders en vrouw in het blikveld. Er is altijd dat moment, heel vluchtig. Die vertwijfeling in haar ogen. Dat staren naar een punt buiten bereik.
We herkennen het allemaal, maar het wordt nooit op tafel gegooid. Alsof ze met verlangens zit, die ze tegen niemand kan uitspreken. Niet tegen mij alleszins.
Alsof ze een verlangen heeft dat ze niet meer met mij kan delen. Ze heeft al zoveel met mij gedeeld en dat heeft tot begrip en onbegrip geleid en dat onbegrip is een kloof geworden. Heel het huwelijk leek op een gegeven moment uit geroep te bestaan. Een vuile echo die we horen, van wat ooit wat moois was.
Toen het roepen wegebte, was er slechts schuim op onze lippen. We hijgen na. Nog steeds kan ik even intens naar haar kijken. Nog steeds vlijt ze zich ‘s maandagsavonds tegen me als we naar het nieuws kijken, wanneer Elise tennissen is en Jonas naar de basket. Als elk koppel hebben we hoogtes en laagtes gekend. We horen samen en iets vreet.

Dag, zegt ze ‘s ochtends. Soms haast onhoorbaar. Soms uit gewoonte, of als een radio die aanspringt. Vandaag fluisterde ze het haast. De deur klikt in het slot en ik sta in een lege keuken, een leeg huis. Haast elke voormiddag werk ik van thuis uit. De dag, die ze zegt, is vlakker geworden. De dag is ook vlakker als ze weg zijn. Een afdruk in één kleur van onze thuis.
Is het scherm waar onze gezinsfoto op staat te vaak gevallen?

We houden van elkaar, we hebben kinderen en wat zou ik zonder haar. Die bedenkingen die veel reactie ontlokken als ze hardop worden gezegd, die in allerlei richtingen worden getrokken en geduwd en daarom nu verzwegen worden. Zodoende. Het geven om elkaar is nu wij, de omgeving die we voor elkaar geworden zijn geworden. Het knuffelen is voorbehouden aan de kinders en het liefhebben is weer sex geworden. Onze lichamen kennen elkaar en daar houdt het op.
Ook al gaat het beter nu. Het schreeuwen is gestopt, het babbelen nog niet weergekeerd. We zijn er nog steeds, hier. De kinderen zijn nog altijd de onze en de thuis voelt niet als een of ander co-housingproject. Zij zorgen voor dynamiek, wij voor zekerheid en ze hebben nu net de leeftijd bereikt dat we hun niet meer als zwembadredder in het oog moeten houden.

Misschien ben ik net zozeer een omhulsel, bedenk ik me als ik de trap van het herenhuis oploop. Alsof iets in me een zwart gat heeft geslagen dat alle materie van mijn zijn opgeslorpt heeft. De keer dat mijn schoonmoeder stierf of dat laatste jaar van de verbouwing. Iets wat ooit een 2-jarig plan was dat meer sequels en spin-offs dan Star Wars kreeg. Er zijn zo momenten die ik kan aanstippen. Het ongeluk van Elise, waar ik onbereikbaar was. Ik was op zakenreis. Nee, ik weet wat je denkt, dit is geen uitvlucht. Ik zat in een vergadering die ons een jaarinkomen kopzorgen zou besparen. Haar zoektocht naar nieuw werk en mijn omgang daarmee. Alsof mijn omhulsel altijd op het verkeerde tijdstip of moment stond, toen we beiden dag in dag uit thuis waren.

Haar omhulsel is een marionet geworden, met een marionettenspeler die steeds behendiger en steeds dieper, verder naar achter verscholen zit. Een parallelle wereld waar we beiden in gevangen zitten. Ik probeer nog steeds. Een nieuw hoofdstuk beginnen. Met haar. Iets hervinden wat ooit gevonden was. Speciaal bevonden was.

Ze heeft kerstversiering aangebracht in mijn kantoor. Het doet me glimlachen. Gisterenavond, nadat de kinderen naar bed waren en ik nog stond af te wassen. Een verrassing. Een attentie, iets wat ze neuriënd doet, ik kan het me zo voorstellen.
Ik zet de computer aan. Het scherm licht op.
Waar is de tijd dat ze ‘s ochtends nog sluiks ‘dag’ in mijn oor wierp, voor er in te bijten en de keukentafel wat anders, haast een bed werd? Misschien moet ik maar eens beginnen ‘hallo’ te fluisteren, als we onze lijven in een omhelzing duwen, wanneer de werkdag is gedaan.

Jee Kast

complementair

De vogels zijn haast uit.
De sintels zijn vergeten.
Vonken sloegen over
om van hitte niet te spreken.

Van verboden ontmoetingen en datenights
tot ‘t praktische van samen gaan wonen en de nood aan Pinterest Late Night
Lachen als waterkringen
feelgood in slowmotion
geluk deint in vertraging
stilte boven de stad
geroezemoes onder lakens
rust in balans
– ow-nee-nee-ja –
met de dynamiek der dagen.

De voldoening van het zwijgen
gevolgd door geschater,
frisheid zonder vragen, vrolijkheid vandoen,
vandouvan massala, djeroek poeroet of foelie in de indische gerechten, la follie in relatie,
maakt het leven des terechter.

De vogels zijn haast uit,
niet elk kuiken is een kieken,
de verhalen die ik heb
tippen niet aan liefde.
Voorbeeld geven, fraai evenwicht, krijgen en donneren, wat niemand stoort mag je nemen, met een glimlach zo vergeven, kleurvleugels om te feesten, een biotoop vol leven.

Lappendeken van momenten.
Het verleden krijgt geen vat,
uitbalanceren, koorddansen tussen mensen
elke diem, een nieuwe stap.

Jee Kast
PS. Wederom een trouwgedicht. Een mooi stel, mooie mensen, warme knuffels en rijke momenten

Out of office.

out of Office
Even een weekje niks.

Er staat wel een nieuwe website op stapel met grafische projecten en tekenwerk (zoals hierboven). Met andere woorden, met zowat alles wat buiten het concept ‘woord’ staat buitenkomen (wat een zin). Al deze projecten en uitspattingen hoop ik op een website samen te kunnen mikken tegen de eerste week van augustus.

Voor de rest hoop ik hier wekelijks (wat steeds de poging is, hier wat neer te zetten).

OF
vind me op insta.
Met een nieuw reeksje #hipposzien en enkele resultaten, demo-versies van #nualzerevingers

OF
wekelijks op mijn fb-pagina

Maar dat alles,
nu even niet.

Tot gauw,

J

Verrukkelukke vrouwen 02 – Annie Cohen

De vraag moet altijd pertinent aanwezig zijn geweest in haar leven. Iets in haar lichaam zuchtte, zonder dat haar gezicht of haar ademhaling er blijk van gaf, een spiertje aan haar sleutelbeen ofzo, bedekt en ver weg van de nieuwsgierige blikken.

Annie rolde even haar lippen naar binnen toe om ze nat te maken.
“Hetgeen me bijblijft is niet het peddelen door de Indiaase jungle.” De oude vrouw zat aan het raam, praatte tegen niemand in het bijzonder, maar Annie wist dat ze allemaal op het puntje van hun stoel zaten. Haar blik gleed over het Amerikaanse landschap waar ze bijna deel van uitmaakte. Ze was oud en dit was haar vaste plekje aan het raam geworden. Het gezelschap, waaronder Henry Lancaster en zijn grootvader, probeerde haar blik te volgen, maar geen van allen konden zich voorstellen wat Annie allemaal zag.
Hitler en de oorlog waren een oceaan weg en iedereen die van Boston was, wist wel dat je bij Annie voor een ongeloofwaardig verhaal wel terecht kon.

“Ik reed door de jungle, op de fiets; de Maharaja Krishna en Willem II op de olifant naast me. De Maharaja van Mysore had gezorgd dat vier knechten met kapmes ons voorgingen om het pad vrij te maken. Het pad was al lang in gebruik, toch stond hij erop deze extra moeite te doen. De kappers waren vroeg in de ochtend vertrokken, maar het kapproces vorderde zo traag en de knechten gingen zo zorgvuldig te werk dat we ze tegen de middag ingehaald hadden en ze nu haast constant zo een 10 meter voor ons liepen. Door het gescheld van de jonge prins werden ze regelmatig opgezweept. Of het echt gescheld was, weet ik niet, ik verstond het niet. Toch klonk het haast vijandig als een van de jongens met het kapmes even stilstond om zijn bezweette voorhoofd af te vegen of om enkele takken van het pad te slepen.
Ik geloof dat Maharaja nog nooit een doorwinterde moderne vrouw had ontmoet. Hij was nog een jongen. Wat een uitstraling en rijpheid hij te berde bracht.” Annie glimlachte bij de herinnering.
“De avond ervoor nodigde hij me uit. Hij wou me het geplande end op weg te helpen. Om het stuk mee in de draagstoel op de olifantenrug te rijden. Ik weigerde, uiteraard. Ik was er om te fietsen. Ik geloof niet dat ondanks zijn jonge leeftijd hij ooit een vrouw ontmoet die hem wat geweigerd had. Maharaja Krishnaraja Wadiyar IV was elf op dat moment.”
Ze knipoogde naar Henry, die gelijk wat rechter ging zitten.
“Hoe oud ben jij?”
“Twaalf, mevrouw.”
Zijn lichaam krulde langzaam naar beneden als een verlegen garnaal die met zijn hoofd de staart opzocht.

“Kan je je voorstellen dat een heel rijk voor je hebt? Dat alles van jou is, hoever je ook kan kijken? Ook al als je een dag eender welke richting uit reist, dat nog steeds alles wat je ziet van jou is.”
Henry schudde het hoofd. Hij keek op en zijn wangen glommen bij de gedachten wat een rijkdom en avontuur zouden dat zijn. Het gezelschap grinnikte even, lieten de charmante onderbreking even voor wat het was en richtte hun hongerige ogen weer naar de vertelster. Die keek meteen weer weg, door het raam, naar het India dat alleen in haar herinnering te zien was.

“Dus Willem II, koning der Pruisen en kleinzoon van koningin Victoria, was er ook. De jonge prins had hem overhaald om mee op tijgerjacht te gaan. Het gebied wemelde van de tijgers. Ze maakten de naburige dorpen al een tijd onveilig en ook het pad waar ik me op bevond was niet veilig. Ergens was ik heel blij en gerust dat de prins zo stellig was in zijn begeleiding. De bamboebladeren steunden en knapten onder de wielen, de olifantogen groeven de herinnering aan de fiets in hun geheugen en ik trapte, terwijl beide heren van bovenaf af en toe geamuseerd een blik op me wierpen. Opeens hoorden we een krijs. Een tijger was bovenop een van de jongens met het kapmes gesprongen. De andere jongens zwaaiden wild met hun kapmes, maar durfde niet echt dichterbij komen. De menner van de olifant hief zijn hand op. De olifant stopte. De wachten, die rond de olifant meeliepen, stopten eveneens en tuurden nauwlettend de jungle in.
‘Ik leg aan,’ zei de Maharaja, hij schouderde zijn geweer. Willem II die reeds klaarstond met zijn geweer, schudde het hoofd.
‘We zouden de boy kunnen raken.’
Krishna keek over de loop naar de jongen op de grond. Wat is een mensenleven, moet hij gedacht hebben. De jongen op de grond schreeuwde gesmoord, hij wist niet of hij zich nu moest stilhouden of zich verzetten, de tijger die niet wist of hij op de mensen rondom of op de prooi op de grond moest letten, de Maharaja die niet wist of hij zou schieten of niet. De Prins schoot niet. Bij de kreet was ik gestopt met fietsen, onbewust en ondanks alle mannen die, hetzij wat schokkerig en onbeholpen, bewogen op dat moment, stond ik stokstijf. Bevroren. Vastgenageld aan de grond. De tijger brulde.”
Annie Cohen keek even naar de aandachtige gezichten. “Zullen we de glazen even bijvullen?” Mierzoet glimlachte ze, een koningin van het woord. Iedereen likte de lippen af, niet van dorst. Henry knikte gretig, als er na het glas water verder verteld werd, wilde hij wel wat drinken.

“De tijger brulde nog een keer. Ik haalde diep adem en ging op de pedalen van de boneshaker staan en duwde af. Met volle snelheid en luidrinkelend en schreeuwend racete ik op de tijger en de hulpeloze jongen af. De tijger die niet wist wat hem overkwam, sprong op en vluchtte het oerwoud in. Dit alles alvorens de jonge Prins kon schieten. Met brute kracht remde ik, want bijna was ik over de opengereten bediende heengereden. Hij kermde en zijn maten schoten hem te hulp. Een van de bodes van de Prins bekeek de wondes en zwachtelde er enkele van in. Nu de tijger weg was, was de olifant gestaag dichterbij gekomen. Het dier legde zijn slurf op mijn schouder. Eerst dacht ik dat het een bemoedigende hand was van een bode of een raadsman. Ik stond te trillen op mijn benen en keek naar de toetakelingen die het wilde dier gedaan had. De olifant leek me een pluim te geven voor mijn actie en ik keek naar de donkere rustgevende ogen. ”

Annie haalde haar schouders op.
“Krishnaraja Wadiyar IV was boos. Ik merkte het niet meteen. Ik was jong en met misplaatste trots en handen in mijn zij keek ik naar de Prins en Willem de Tweede die van de olifant klommen. Triomfantelijk wou ik zeggen; ik heb de hete kolen toch maar uit het vuur gehaald. De blik van de Prins gebood me niets te zeggen. Het was duidelijk. Ik had zijn buit weggejaagd. Zijn eer als man was gekrengd. Hij schelde en wees en stampte met zijn voet op de grond.”

“Wat moet je met een jongen die ook prins is?”
Even keek ze schalks naar de Lancester-jongen, eentiende van een seconde duurde het, ze knipoogde. Alleen Henry merkte het. De rest was te druk bezig een antwoord te verzinnen op die vraag. Hoe kalmeerde je een opgewonden elfjarige Prins wiens toorn verschrikkelijk kan zijn?
“In een van de tassen had ik een schroevendraaier. Het duurde een eeuwigheid voor ik hem vond.” Haar gedachten voelden in een propvol geduwde tas en ook Annie was weer helemaal aan het opgaan in haar verhaal.
“Ik graaide in de tas, haalde er alles kriskras uit, terwijl Willem II en Krishna op mijn vingers stonden te kijken. Ze wisten niet wat ik zocht en de nieuwsgierigheid van de jonge prins temperde de woede. Heel het pad lag vol met kledingstukken en maaltijdpakketjes en bloomers en de prins en de koning wisten even niet waar te kijken.” Haar toehoorders lachten. Het idee dat het olifantenpad gevuld was met korte vrouwenbroeken en dat er twee heren met blauw bloed op stonden te kijken was voor die tijd hilarisch.

“Nadat ik de schroevendraaier vond, pakte ik het stuur van de fiets en schroefde ik de trofee van de prins eraf.”
Even waren er vragende ogen. Annie knikte bemoedigend.
“Op het stuur zat een grote, blinkende bel. Een fietsbel met een goudvis in gegraveerd. Die haalde ik eraf en overhandigde ik haast plechtig aan de Prins. De Prins als jongen was verrukt. Ook al waren de mannen in die tijd zo geen franke vrouwen gewoon, toch voegde ik er schertsend aan toe, een trofee voor die keer dat een vrouw op een fiets de Prins te snel af was en Hij als gentleman het toestond. De pruilmond werd een streepje, een boogje.
De Prins rinkelde de bel. Uit het oerwoud kwam een tijgerbrul als bij wijze van antwoord terug.
‘We moeten gaan, we worden geroepen voor de jacht.’ Zei de Prins. ‘Dank’. Hij wreef even over de goudvis die de tijger uit zijn schuilplaats zou lokken. Dit vond hij een goed geschenk. Hij gebaarde dat Willem II weer op de olifant moest plaatsvatten, stuurde de gewonde met twee bodes weer naar het paleis en ik stapte op de fiets. Reed weg zonder omkijken het oerwoud in.”
De luisteraars haalden opgelucht adem.

“Wat een verhaal,” zei opa Lancester. Hij was even oud als Annie en ondanks de leeftijd was er naast die enorme bewondering voor de vrouw die als eerste de wereld rondfietste ook een tikkeltje meer. Ook dat zag Henry.
“Dat was spannend,” opa stootte Henry aan, die ingetogen knikte nu weer heel het gezelschap naar hem keek. Annie Londonderry Cohen, die door een fietsbel voor Krishna’s toorn gered was, sipte aan haar drankje.

“Nee, …”
“… hetgeen me bijblijft is niet het peddelen door de Indiaase jungle,” herhaalde Annie om kenbaar te maken dat haar verhaal nog niet gedaan was. Het gezelschap keek elkaar aan.

“Het moet een jaar of wat, negen?, geleden zijn. Ik was 68 jaar en ik stond in een dierentuin. Daar gebeurden twee opmerkelijke dingen. Het was een mooie dag. Een zondag moet het geweest zijn. Dames en heren wandelden gezapig tussen de kooien door, voederden de chimps en kinderen renden in bewondering van het ene dier naar het andere beest. De parasolletjes en de hoge hoeden vermengden zich met de gegoede families, de tortelduifjes genoten van de toekomst, de kinderlijke speelsheid die ze zagen, de wereld die aan de jeugd was en klaar stond om te veroveren. Nu deze dieren waren al reeds veroverd en gekooid, wat ongelooflijk jammer was, maar op zondag durfde ik de zoo wel eens sponsoren. Het deed me aan mijn wereldreizen denken.
Ik was oud en beter ter been dan nu. De dierentuin had een paar nieuwe dieren. Het had heel de week in de krant gestaan. De olifanten, rechtstreeks uit India waren de drie pronkstukken van de dierentuin. Twee jonge dieren en eén oud dier. Het oude dier was niet persé een bezienswaardigheid in dierentuin. Het werd voornamelijk ingescheept om de jonge dieren op de boot rustig te houden. Net op het moment dat ik de dierentuin wou verlaten, werd de oude olifant ook op wandeling meegenomen. Het beest was heel tam en volgde de verzorgers schoorvoetend. We kruisten elkaar en terwijl ik verder schuifelde, keek ik even opzij. De vele fietstochten en wedstrijden eisten hun tol. Het was zo warm dat ik even moest stoppen, kramp en kniën die zeer deden. Opeens voelde ik een hand op mijn schouder. Een hand, die er geen was, het was een slurf. Een slurf die me leek te kennen. De oude olifant had me herkend en had zich omgedraaid zonder dat zijn begeleider het doorhad. Met zijn wijze ogen keek het me aan. Het moment was zo intens dat ik bijna in huilen uitbarstte.”
“Was het diezelfde olifant?”
Annie knikte. “Ik werd zo eenveertig jaar terug in tijd gekatapulteerd, zomaar, door die enige eenvoudige aanraking. Door die mystieke, donkere, krachtige ogen. Achteraf kreeg ik van de verzorger te horen dat deze olifant inderdaad van het Mysorische hof kwam. Het was uitzonderlijk dat een olifant zo oud werd, hij moest wel haast honderd jaar zijn.”
Even was het heel stil. Annie keek uit het raam en Henry droomde mee. Ook hij had die olifant aangeraakt.

“Goh,” zei Henry’s opa na een tijd. “En wat was het tweede uitzonderlijke dat gebeurde?”
“Net nadat ik de dierentuin verlaten had, tikte er iemand op mijn schouder. Geen olifant deze keer. Ik herkende hem meteen, maar de naam ontschoot me. Hij had ook al in alle bladen gestaan en was nog vrij jong. Ook een inwijkeling van het Europese continent. Opnieuw had ik een krop in mijn keel. Kwam het door die eerste emotie? Dat deze ontmoeting me zo bij de keel greep, kwam het door die olifant die me had weten te verrassen?”
Ze pauzeerde even. Het groepje dat rond haar zat zag dat ze er nu wat ongemakkelijk bij zat. Ze herschoof zich even en schraapte haar keel. De vraag hing in de lucht, niemand die hem durfde te stellen.

Langzaam antwoordde haar oude stem de ongestelde vraag.
“Het was Salvador Dali!”
Annie leek in de herinnering weg te zinken ondanks de verraste uitroepen van de groep.
“Wauw.” zei de dame op de hoek die ook de olifantvraag had gesteld. “De kunstenaar?”
“De kunstenaar. Nee, ik heb nooit wat met hem gehad.” Waarmee ze lachend wat insinuaties van de hand deed. “Hij was veels te jong. In de dertig, ik dubbel zo oud.” Ze grinnikte, doch het idee vond ze blijkbaar niet zo gek. “Hij tikte me op de schouder, omdat hij net ervoor de gebeurtenis met de olifant had gezien. En hij wou weten hoe het zat.”
“En?”
“Hoezo ‘en’? Ik deed het hele verhaal uit de doeken. Zoals ik nu deed. De jonge, elfjarige Maharaja, de Pruis Willem II met het geweer in aanslag, de gewonde knaap, de olifant, de fietsbel met de goudvis. Ik heb Dali en zijn echtgenote erna nog verschillende keren ontmoet.” Ze glimlachte. Dit was een ander soort herinnering. Recenter en hoewel de belevenis minder intens was, de impact van de kunstenaars’s naam was groter.
“De ontmoetingen waren vluchtig. Steeds opnieuw vroeg hij naar dat ene verhaal. Ik mocht nog drie keer de aarde rondgefietst hebben, dat interesseerde hem niet. De fietsbel die de tijgers wegjaagde. De goudvis is een schorpioenvis geworden, maar het zit er allemaal in.”
“Het schilderij,” stamelde Henry’s opa. Zijn frank was gevallen. “De… hoe heet het, de droom met de olifant en granaatappel.”
Annie knikte.

“En die vrouw, die al haar kleren uithaalde om een schroevendraaier boven te halen.” mompelde opa. “Dat is een metafoor voor dat naakte lichaam. Nee, ik zeg het verkeerd. Dat naakte lichaam is een metafoor voor alle uitgehaalde kleren.”
Annie bloosde.
“Dali’s vrouw was zo jaloers dat aan iedereen verteld werd dat het geportretteerd naakt Gala was.” Ze drukte haar lippen nog eens tegen elkaar.
“Hoe hij een oude vrouw moest laten blozen, wist hij wel. En dat het schilderij een droom was, waar Freud een puntje aan mocht zuigen, is natuurlijk verzonnen, eigenlijk is het gewoon mijn verhaal. Mijn lichaam, ooit.”
En nu knipoogde ze betekenisvol naar de opa van Henry.

Jee Kast

Jee Kast 2018
— — —

Wat echt is?
Dali - Mujer asomada a la ventana  - bike version

Painting Salvator Dali #modified
Annie Cohen (1870–1947) was een vierentwintigjarige Lets-Amerikaanse vrouw die als gevolg van een weddenschap de eerste vrouw zou worden die op de fiets de wereld rondreed. In 1894 startte ze door middel van sponsors een traject van 15 maanden op een 19-kilo-wegende fiets. Per dag deed ze hierop tussen de 12 en 16 kilometer. Een van de mannen die de weddenschap aanging was een fietsenmaker, tevens een sponsor van de onderneming. Haar andere hoofdsponsor, vroeg haar ook haar achternaam in Londonderry te veranderen. Bij vertrek van deze helse fietstocht had Annie Londonderry Cohen 3 kinderen (6, 4 en 2 jaar).

Na vier maanden werd de fiets, niet de protagoniste, door een lichter model ingeruild. Annie was tegen die tijd wel al 8 kilo afgevallen. Bij mijn weten heeft ze nooit Salvador Dali ontmoet. Net als haar versies van de werkelijkheid, in lezingen en vertellingen doorheen heel Amerika, is dit stuk verhalend wat aangedikt.

De fiets, ook wel boneshaker genoemd, dat kwam door de harde houten wielen die met ijzer omlijst waren, was voor de vrouw een instrument dat hun ruimte en vrijheid gaf. Voor 1890 werd de fiets vooral gezien als een mannenproduct. Niet alleen kwamen die vrouwen meer als identiteit in het straatbeeld, ook de kleding werd nu hierop aangepast. De Victoriaanse wat uitwijdende jurken en indijkende corsetten werden stapsgewijs door de fietsende vrouwen overboord gegooid. Om de wat ouderwetse mannen op stang te jagen natuurlijk.

Henry, eveneens fictief of per toeval van naam en uiterlijk gelijkend op een echt persoon, leefde nog lang en gelukkig. Annie Cohen daarentegen stierf in anonimiteit.

Meer? Verrukkeluke vrouwen 01, vind je hier