Verrukkelukke vrouwen.

“Nee. Ik zie me genoodzaakt terug te trekken als financier van dit project.”
De man frunnikte even aan zijn manchetknopen zonder zijn blik erdoor te laten afleiden, hij keek Annie nog steeds recht in het gezicht aan. “Het is zelfmoord.” besloot hij het gesprek.

Annie trok haar neus op.
Ze twijfelde of ze gevolg moest geven aan dit gesprek. Weer een man die laatdunkend over het project, over haar slaagkansen of over haar als vrouw deed. Ze had dit gesprek al verschillende keren gevoerd. Ook de gesprekken na dat het gesprek afgesloten was. Ergens wist ze dat hem proberen te overtuigen geen zin had. Mannen die haar de toekomst beloofden als ze van het project hoorden, maar als puntje bij paaltje kwam, waren de risico’s te groot of was het gekkenwerk of kwamen ze met zogenaamde emotionele argumenten. Niet voor haar, maar voor hun naam; mocht Annie het niet overleven. Hoe konden een firma met goed naam nu zo een vermeende zelfmoordpoging financieren? Dat was de grootste bezorgdheid. Want zo zagen ze het allemaal. Hun goede naam zou besmeurd worden en dat zou toch wel meer nefaste gevolgen kunnen hebben dan ze zich zouden kunnen voorstellen. Los van haar dood, uiteraard.

“Ja, het is nu niet echt met de fiets een brood halen bij de bakker.”
Lansky keek haar aan. Vrouwen op een fiets, dacht hij, ook dat nog. Hij depte zijn voorhoofd met een zakdoek. Los van zijn oordeel rond die materie besloot hij het zakelijk te houden en het af te ronden. Hij schraapte de keel.
“Mrs. Taylor. Mocht u nog andere ideeën hebben, we zien u graag terug.”
De bankier stond op, tikte aan zijn bowler bij wijze van afscheidsgroet en verdween door de cafédeur.

“Robin?” Ze wees naar haar pint-glas.
“Een ander zwartbier?” Annie knikte. Ze legde haar laatste geld op tafel voor deze silversmith brew. Zij was iemand met visie, sprak ze tegen haar zelf, waarom deelde niemand die? Ja, ze had zich de laatste jaar kunnen behelpen met zanglessen en danslessen geven en het was te laat om het te maken. Ze was haast 63. Hoe dan ook, een vrouw die vanbinnen borrelde van ideeën en haast geen cent had. Nog drie weken en haar beurs was leeg. Platzak, klaploper.

Ze zuchtte.
Een efemere uforie. Altijd als ze dacht, nu haal ik hem binnen, was er wel een of andere partner of raad die een stok in de wielen kwam steken. Misschien moest ze wat anders verzinnen. Nee, dit zou haar bekend maken, haar lezingen bezorgen over haar roemrijke prestatie, niemand had haar dit voorgedaan.

“Mrs. Taylor?”
Een jonge man, ruitjespak, tot op de enkels verzorgd en een fris krulsnorretje dat een beleefde glimlach verborg, met een twinkeling van genoegen in zijn ogen. “Ik vernam dat u hier zat.”
“Mooi pak.”
“Het gaat om de afwerking.” zei hij zonder enige vorm van arrogantie.
“Wat zei de bank?”

Annie haalde haar wenkbrauwen op. Hoe wist hij…
“Ze hebben geweigerd.” flapte ze er uit voor ze er erg in had.
“Seth.” Hij stak een hand uit die Annie aarzelend aannam.
“Annie, mrs. Taylor.”
“Mrs. Taylor. Leg het mij een keer uit? Ik ken het verhaal enkel uit tweede hand.”

Annie nam een slok zwartbier en deed haar plan nog een keer uit de doeken.
“Er zijn al wat dodelijke ongevallen geweest in mensen die de kolken onderaan de watervallen probeerden te trotseren, maar niemand die al gepoogd heeft wat jij wil doen.”
“Het is moeilijk goed voorbereid te zijn, maar een goede voorbereiding is het halve werk.” Haar innerlijke schoolmeesteres glimlachte naar haar innerlijke avonturierster. “Zodra de ton er is, kunnen we een test doen.”
“Een test met een lege ton?”
“Nee, Iagara doet de test.”
“Iagara?”
“Mijn kat, we testen de ton van een bepaald punt en kijken hoe diep ze gaat, of de ton heel blijft, de duigen het houden, de druk aan kan die dingen,… als alles goed en wel gaat doe ik het enkele dagen erna over.”
Seth knikte. Hij besefte ook, moest de ton het geven dat dat meteen het einde van het verhaal was.
“Hoe hoog is de Niagara weer?”
“de Horseshoe Falls slechts 53 meter. De bedding waar de rivier weer in landt is diep genoeg.”
“Laat de ton maar maken. Ik zal het financieren.”

— — —
Annie E. Taylor Barrel woman Niagara Falls
Op haar 63ste verjaardag, 24 october 1901, ging Annie E. Taylor als eerste met een gesloten ton de Niagarawatervallen af, enkele uren nadat haar kat in een testrit haar voor was geweest. Zodra de ton afgesloten werd, werd er met een handpomp lucht in geblazen opdat er genoeg zuurstof zou zijn.
Deze waaghalserij van een voormalige schoolmeesteres was een poging haar een pensioen te garanderen. Door het verhaal te verkopen en lezingen te geven. De helse waterrit duurde bijna een twintigtal minuten.

Zowel de kat als zij hadden achteraf een hoofdwonde.
Een kwestie van je testobject niet serieus genoeg te nemen.
De gehoopte roem en het fortuin bleven echter uit. Annie Edson Taylor was een naam die vergeten werd.
Eat that Steve-o.

— — —

kiezel

Het was niet zozeer het lied.
Het was de achtergrond die me brak.

Ik wist waar dit geschoten was. Het muziekclipje met een GSM gemaakt. De tekeningen aan de muren. De foto’s van trots, ik heb er zoveel keer naar gekeken.

Ik ruik de ovenverse cake nog, doe er wat poedersuiker op, de schrale keukenlucht en de gesuikerde zakjescappuccino in een garage die ooit een keukentje was, of was het andersom. Gezelligheid is het moment aanvaarden, met al zijn eigenaardigheedjes. De indische kookboeken, de dame jeannes met pruttelende cider, de herfst in het huis en de lente erbuiten.
De drang om met noten de wereld op te zoeken.
Maar eerst huiswerk maken. Repeteren en herbeginnen. Meestal eindigden we de dag op die plek aan dat keukentafeltje met een rubberen tafellaken, zo eentje dat onder het stoffe schuil zat. Hij had zijn bezigheden, de seizoenen die estafetten met hem, de tuin, de cider en de folk speelden.
Nog wat heet water?

We moesten op tijd beginnen, op tijd er zijn en als alles gedaan was, kwam het niet zo nauw. We begonnen sokvoets op een tapijtje in een zijkamer en keken naar hoe we elkaar konden treffen. Hij soms Willem Tell, ik jongen met de appel. Ik jongen met woorden, hij man met noten. Maar laat me eerst dat midi-file’ke opzoeken.
Er kwam piano bij en hoe we dat konden lijmen, want handig was hij wel, en mondig, maar als we speelden, was hij stil, zocht hij achtergrond op. Waren het de noten, de muziek, de bijklanken en mijnklanken, mijn woorden. Dromen die uitkwamen en alles wat ik niet wist, zoals Steve Lacey en de beat poets kwamen naar boven en nog steeds heb ik te weinig op gestoken.

We kenden elkaars verhalen. Een duizendtal lege platenhoezen en een kast zonder jenever. Op den duur lijkt alles een beetje Jack Kerouack, gemiste kansen en fouten die je meedraagt. Het zijn verhalen onderweg. Hij dondert van een podium af en nog steeds zie ik hem lachen. Het blijven anekdotes, zonder poeha, -schaterlachske- zonder sensationeel te willen zijn, met verhalen die ook verveling en machteloosheid uitstralen. Trots op waar hij niet bij kon zijn, enthousiast als hij weer wat te horen kreeg van iemand die wat vertellen kon over.
-Hij was er altijd bij, niemand die dat wist.-

Er is zoveel niet gezegd in die jaren. Hoeveel humoradio’s er ook nog verschijnen, sommige verhalen vind je nergens. Zolders die leeggehaald zijn. Nergens vind je wat terug, behalve een achtergrond, in een filmke, met een slechte beeldkwaliteit en een krop in de keel. Een kiezelsteentje haalt soms alles weer.

Hij soms de man met de appels, ik soms Willem Tell,
Stuntelig, en ik weet dat ik mis.

Jee Kast

Op tijd en stond

Je stem verheffen.
Het kan van de wereld een nuttigere plek maken. Af en toe.
Het kan zich enorm lonen wat nuttig te zeggen. Aan mensen en hun gedachtengoed te pulken en ze te laten nadenken. Geen antwoorden voor te schotelen. Dichters hebben geen antwoorden. Maar kunnen wel de juiste dingen aanstippen om over na te laten denken.

Gisteren trad ik op op de Goei Wei in Houthalen. Een initiatief uit het hart waar een open debat was rond onze groeiende en vergroeiende samenleving. Groeiend, zoals we willen, en vergroeiend, zoals we niet willen, met alle neveneffectjes en alles wat we nu pas zien en ooit geen rekening mee hielden, toen we het als plantjes opzetten en water gaven. Niet om te vitten, maar om constructief te kijken waaraan in de maatschappij nog gesleuteld kan worden.

Het gesprek mocht ik afsluiten met een korte performance.
De volgende tekst is een herwerkte tekst. De oorspronkelijke tekst deed ik ooit voor Staat van de burger in Antwerpen.

Ik was tien jaar.
Het was dezelfde dag als vandaag.
Het was op een wereld die op de onze leek.
Het journaal stond op. De soep stond op. Ik stond naast mijn moeder te helpen in de keuken.
Ze stond er op. Ik keek naar de nieuwsbeelden en vroeg aan haar;
“Mama, wat moeten we met al die mensen?”

“De soep kookt over,” zei ze nuchter. “Er zit teveel in de ketel.”
Ik heb borden klaargezet voor gasten uit alle delen van de wereld,
zonder na te denken hoeveel borden op tafel kunnen.
Bij elk systeem hoort een leercurve.

Bij elke stap die ondernomen wordt, komt politiek dichterbij,
ik hoor de koning fluisteren, weet niet wat hij zei.
Het zal aan mij liggen. Ik slaap met ogen open. Jarenlang in slaap gesust door een welvaartstaat, waar kleine vissen door mazen glippen, ondernemers in plezierboten reisjes maken en de maatschappij een roetstrooiende visserboot is, die op springen staat. Laten we roeien met de riemen die we hebben.

Ik ben feitelijk te rijk om gedupeerde te spelen.
Wie niet waagt… Wie laat wat links liggen, wat kan mij het schelen?
Of is ’t rechts laten liggen? Empathie en kloven dichten, nu we op leeftijd en op waarde zijn gekomen. Afstemmen is bijleren, het wordt tijd om die vorm van toekomst te oogsten en te telen.
Elk voornemen is een hart, met logica èn kennis onderbouwd. Geen hersenloze oproerkraaier die stennis schoppen voorkauwt. Onze sterkte is ons vermogen, maar dat vermogen zien, …

Op gedeelde kracht, gezamelijke voortgang,
niet elke doorgang is een tunnelvisie. Vooruitgang door in elkaar geslagen handen,
open blikken en participatie. Een wirwar van overdreven regelgeving of gehakketak
van regularisatie. Voelde ik me machteloos bij de logheid van het hedendaags monster
van democratie?

Het zal aan mij liggen. Ik wil geen namen noemen of vingers wijzen.
Als we woorden in daden dienen om te zetten, waarom zou ik als woordkunstenaar dan recht op spreken eisen?

Jee Kast


Ook stond ik op de Goei Wei met #nualzerevingers. Een act waar ik met mijn schrijfmachine voor iedereen die passeert een gedicht schrijf. Volg mijn fratsen ook op instagram @jkprojects902 of #nualzerevingers

vakantie

ze is een beetje
wennen en van teveel
het goede, over-
donderend.

Mijn gezelschap
waar ze niet op
had gerekend, niet meteen
denderend. Ik leef op
een eiland.

Ze is een stuk
knapper dan ze zich voelt
en grappig en klapt
bruusk dicht door
onwennigheid
en stuurs weer
de kamer uit.

Ze roept
vragen op en herkenning wenkt
en toch is het wennen
een spiegel zo anders
Ze straalt
zaligheid
uit.